Heb je een vraag over Leertijd? Kijk dan eerst even hier, misschien hebben we al een antwoord!

Je kan instappen in de leertijd tussen 1 juli en 31 januari. Om in te stappen in de leertijd moet je voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht. Dit is wanneer je 15 jaar oud bent, en de eerste graad (de eerste 2 jaar) van het voltijds secundair onderwijs beëindigd hebt (beëindigd hebben ≠ geslaagd zijn), of wanneer je 16 jaar oud bent. Een 14-jarige, die de 1e graad van het voltijds secundair onderwijs heeft beëindigd en ten laatste op 31 december 15 jaar wordt, mag vanaf één maand voor de 15e verjaardag wel al de theoretische lessen in de SYNTRA-lesplaats beginnen volgen. Enkel op voorwaarde dat er al een opleidingsplaats voor de praktijkopleiding is gevonden.
De praktijkopleiding kan pas starten vanaf de 15e verjaardag.
Voorbeeld: Je wordt 15 jaar op 20 november, je hebt de 1e graad van het voltijds secundair onderwijs beëindigd en je hebt een opleidingsplaats gevonden waar je jouw praktijkopleiding kan krijgen. In dat geval kan je vanaf 20 oktober teogelaten worden tot de leertijd. Je mag alle theoretische lessen volgen, maar je moet wachten tot 20 november om de praktijkopleiding in de onderneming te starten. 

Een minderjarige leerling zonder wettige papieren kan een leerovereenkomst sluiten. Een leerling die een leerovereenkomst gesloten heeft voor de 18e verjaardag, kan ook na de 18e verjaardag een leerovereenkomst sluiten bij een ander ondernemingshoofd-opleider om zo het begonnen te traject te voleindigen.
Een meerderjarige leerling die een traject aanvat, moet wettig in België verblijven voordat er een leeroverenkomst kan gesloten worden.

Een leerovereenkomst is steeds voltijds. De lesdag (1 lesuur wordt gelijkgesteld met 1 arbeidsuur van 60 minuten) wordt in rekening gebracht van de voltijdse arbeidsduur. Dit betekent dat iemand die 1 dag les volgt in een SYNTRA- lesplaats gedurende 4 dagen per week bij het ondernemingshoofd-opleider een opleiding moet krijgen.
Het concreet aantal uren hangt af van de arbeidsduur in de onderneming, maar deze kan op jaarbasis nooit meer bedragen dan 38 uren per week. Tijdens de schoolvakantie dient de leerling de uren dat hij normaal les volgt te ‘presteren’ bij zijn patroon-opleider.

Uiteraard hebben leerlingen recht op vakantie. In principe heeft iedereen recht op 2 dagen vakantie per gewerkte kalendermaand in de zesdagenweek of gedurende 1 week vakantie per kwartaal. Er moet wel een onderscheid gemaakt worden tussen betaalde en onbetaalde vakantie. Het recht op betaalde vakantie vloeit voort uit de wet op de jaarlijkse vakantie en is identiek aan de regeling die geldt voor werknemers verbonden met een arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wet van 3 juli 1978.
Dit betekent dat iemand die bijvoorbeeld in 2010 het hele jaar gewerkt heeft, in 2011 recht heeft op 20 dagen (4 weken) betaalde vakantie. Indien men in 2010 geen 12 maanden heeft gepresteerd, wordt het recht op betaalde vakantie in verhouding berekend. Eventueel kan het recht op betaalde vakantie worden aangevuld met het recht op onbetaalde vakantie.
Een leerling die in dienst komt op 1 september 2010 heeft in 2010 recht op 7 dagen onbetaalde vakantie. In 2011 zal hij recht hebben op 7 dagen betaalde vakantie en kunnen deze betaalde vakantiedagen worden aangevuld met 13 onbetaalde vakantiedagen.
Bovendien moet het ondernemingshoofd-opleider per volledige maand van uitvoering van de leerovereenkomst in zijn onderneming een bijkomende dag onbetaalde vakantie toekennen.
Een leerling-arbeider ontvangt het vakantiegeld via de verlofkas van zijn ondernemingshoofd-opleider. Deze betalen in de loop van de maand mei of juni 2011 het vakantiegeld uit voor de prestaties geleverd in 2010. Bij een leerling-bediende betaalt het ondernemingshoofd-opleider het vakantiegeld. Wanneer zij vakantie nemen, wordt de leervergoeding gewoon doorbetaald. Het dubbel vakantiegeld dient betaald te worden op het ogenblik dat de leerling zijn hoofdvakantie neemt.

De maximale arbeidsduur op weekbasis is in principe 38 uren per week.
In het paritair comité van de bouw (PC 124) wordt 40 uur per week gewerkt. Dit betekent dat ook leerlingen in de bouw recht hebben op 12 inhaalrustdagen. In de bouwsector liggen deze inhaalrustdagen vast en mag er slechts in uitzonderlijke gevallen gewerkt worden.
Het is het ondernemingshoofd dat deze inhaalrustdagen moet betalen. De leervergoeding loopt gedurende deze dagen gewoon door.

Dit zal geval per geval moeten bekeken worden. In ieder geval blijft een jongere in 2011 ten laste van zijn ouders indien zijn nettobestaansmiddelen niet meer bedroegen dan 2 890 euro op jaarbasis. Dit stemt overeen met een brutobedrag van 3 612,50 euro. Voor een alleenstaande ouder wordt dit bedrag verhoogd tot 4 170 euro netto of 5 215,50 euro bruto. De eerste schijf van 2 890 euro onderhoudsuitkeringen tellen niet mee om de nettobestaansmiddelen te bepalen.
Een leerling die op 1 september 2011 een leerovereenkomst sluit en 297,94 euro per maand verdient, zal voor 2011 nog ten laste blijven van de ouders. 297,64 euro x 4 = 1 19176  < 3 612,50 euro. Voor een leerling die een heel jaar verbonden is door een leerovereenkomst is dit niet zo vanzelfsprekend en zal er moeten gerekend worden. Een snelle en eenvoudige berekening leert ons hier dat de leerling in het jaar 2011 niet meer als ten laste kan worden beschouwd (297,94 x 6 + 397,27 x 6 = 4 171,26 > 3 612,50 euro). Deze leerling zou wel nog ten laste zijn van een alleenstaande ouder.

Men kan kinderbijslag genieten voor een leerling verbonden door een leerovereenkomst tot de leeftijd van 25 jaar. Tot 31 augustus van het jaar waarin de leerling 18 wordt, worden er geen bijkomende voorwaarden gesteld. Vanaf 1 september van het jaar waarin men 18 wordt, bestaat er wel een kinderbijslaggrens. Dit betekent dat men niet meer mag verdienen dan een bepaald bedrag. De kinderbijslaggrens bedraagt momenteel €499,86 op maandbasis (mei 2011). De door het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - SYNTRA Vlaanderen vastgelegde minimumleervergoedingen liggen steeds lager dan deze kinderbijslaggrens. Het is pas indien men meer ontvangt dan de door het agentschap vastgelegde leervergoedingen, of indien men naast de leervergoeding een premie ontvangt die onderworpen is aan de RSZ-bijdragen, dat het recht op kinderbijslag kan verloren gaan.

Een leerling kan tijdens zijn leerovereenkomst of na zijn leerovereenkomst geen studentenovereenkomst sluiten. Om een studentenovereenkomst te kunnen sluiten, moet men les volgen in het voltijds onderwijs. Dit werd ons in het verleden medegedeeld door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. De bedoeling van een studentenovereenkomst is dat men een eerste werkervaring opdoet op de werkvloer. Leerlingen verbonden door een leerovereenkomst genieten of genoten reeds van deze ervaring. Leerlingen ouder dan 18 jaar zouden eventueel bij een andere werkgever nog een deeltijdse arbeidsovereenkomst kunnen sluiten. In dat geval is de kans echter groot dat men meer verdient dan de kinderbijslaggrens (499,86 euro op maandbasis) waardoor het recht op kinderbijslag verloren gaat.

Hier moet een onderscheid gemaakt worden tussen leerlingen die beperkt onderworpen zijn aan de RSZ en leerlingen die volledig onderworpen zijn aan de RSZ. Men is volledig onderworpen aan de RSZ vanaf 1 januari van het jaar waarin men 19 jaar wordt. Daarvoor is men beperkt onderworpen aan de RSZ. Tijdens de beperkte onderwerping betaalt de werkgever bijdragen voor jaarlijkse vakantie, arbeidsongevallen en beroepsziekten. Tijdens de volledige onderwerping moeten zowel de leerling als de patroon-opleider in principe bijdragen betalen voor de sector ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, geneeskundige verstrekkingen, werkloosheid en pensioenen. De volledige onderwerping zorgt er op die manier voor dat de leerling bijkomende rechten opent op het vlak van de ziekte- en invaliditeitsuikeringen en op het vlak van de pensioenen.

Het besluit op de leertijd voorziet een gewaarborgde leervergoeding bij ziekte van 30 kalenderdagen te betalen door het ondernemingshoofd-opleider. De leerling moet wel reeds 1 maand tewerkgesteld zijn bij het ondernemingshoofd-opleider en bij hervalling van dezelfde ziekte (binnen de 14 dagen) dienen slechts de resterende 30 kalenderdagen te worden uitbetaald. Uiteraard dient ook de leerling een aantal regels te respecteren. Zo dient de leerling het ondernemingshoofd onmiddellijk van zijn ziekte op de hoogte te brengen en dient voor iedere ziekte een geneeskundig attest aan het ondernemingshoofd te worden bezorgd. Dit attest dient binnen de twee werkdagen te worden bezorgd tenzij onderling een andere termijn werd bepaald. Indien het attest niet of te laat wordt ingediend heeft het ondernemingshoofd-opleider de mogelijkheid om de gewaarborgde leervergoeding niet of slechts vanaf de ontvangt van het attest te betalen.
In bepaalde gevallen zal een leerling ook recht kunnen openen op ziekte- en invaliditeitsuitkeringen. Het gaat hier steeds om leerlingen die volledig onderworpen zijn aan de RSZ. Een leerling is volledig onderworpen aan de RSZ vanaf 1 januari van het jaar waarin men 19 jaar wordt. In dat geval is het raadzaam zo vlug mogelijk contact op te nemen met een mutualiteit.

Het antwoord is hier niet zo eenduidig en in feite moet er een onderscheid gemaakt worden tussen de sector ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en de sector geneeskundige verstrekkingen. 
Voor de sector geneeskundige verstrekkingen is het in ieder geval zo dat indien uit de bijdragebescheiden blijkt dat iemand in een kalenderjaar meer verdient dan een bepaald bedrag men een ziekenboekje moet openen. Dit gebeurt met terugwerkende kracht.
In 2011 is dit € 4 245,72 voor iemand die jonger is dan 21 jaar en € 5 660,96 voor iemand die ouder is dan 21 jaar. Men kan dus eventueel voor de sector geneeskundige verstrekkingen ten laste blijven van zijn ouders (tot de leeftijd van 25 jaar) indien de kans bestaat dat men de hoger vermelde bedragen niet gaat verdienen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de leerovereenkomst eindigt in het jaar waarin men volledig onderworpen wordt aan de RSZ.
Op die manier bespaart men de bijdragen die men aan het ziekenfonds moet betalen (aanvullende verzekering) en een eventuele bijbetaling omdat men de hoger vernoemde bijdragen niet verdiende. Om ziekte- en invaliditeitsuitkeringen te ontvangen, moet men in ieder geval een ziekenboekje openen. Dit betekent dat als men effectief ziek wordt en men heeft nog geen ziekenboekje geopend men dit zo vlug mogelijk moet doen. Bij ziekte van meer dan 1 maand of bij zwangerschapsrust kan men arbeidsongeschiktheids- of moederschapsuitkeringen ontvangen.  Men kan onmiddellijk van deze rechten genieten, indien men, ofwel het eerste jaar van de tweede graad van de secundaire cyclus met technische of beroepsvorming ofwel de hogere cyclus van het ASO, ofwel de leertijd beëindigd heeft. In andere gevallen zal een wachttijd van 6 maanden moeten worden doorlopen. Ook hier geldt dat indien je de bovenvermelde bedragen in een bepaald kalenderjaar niet verdient men in principe aanvullende bijdrage zal moeten betalen.

Ook leerlingen verbonden door een leeroverenkomst vallen onder de arbeidswet van 16 maart 1971. Deze arbeidswet behandelt een aantal onderwerpen zoals de arbeidsduur, rusttijden, arbeid op zon- en feestdagen, nachtarbeid en moederschapsbescherming.  Bovendien voorziet deze wet een aantal specifieke beschermingsmaatregelen voor jeugdige werknemers of de min 18-jarigen.
Zo mogen min 18-jarigen niet op zondag worden tewerkgesteld, tenzij in geval van overmacht en in sectoren waar een afwijking wordt voorzien. Dit is het geval in de sector van de:

  • bakkerijen
  • vermakelijkheidsbedrijven (12 zondagen per jaar)
  • horecabedrijven
  • kleinhandelszaken, kapsalons, openbare vertoningen en amusement en bij verhuur van boeken, stoelen en vervoersmiddelen tijdens de kerstvakantie, tijdens de periode tussen Pinksterzondag en 30 september in ondernemingen in badplaatsen, luchtkuuroorden en toeristische centra.

Een min 18-jarige mag in ieder geval niet meer dan één zondag op twee worden tewerkgesteld, tenzij mits voorafgaande toestemming van de sociale inspectie.

Een ongeval van een leerling op de SYNTRA- lesplaats of een ongeval op weg van thuis naar de SYNTRA- lesplaats en omgekeerd valt onder de arbeidsongevallenverzekering.
In een arrest van 21 maart 2005 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat een leerjongen geacht wordt zich op de plaats van het werk te bevinden en onder de toepassing van de Arbeidsongevallenwet te vallen, wanneer hij onderweg is naar de plaats waar in het kader van de leerovereenkomst vormingslessen worden gegeven en zolang hij zich aldaar bevindt.
Het Hof van Cassatie maakt hierbij toepassing van art. 8 § 1 derde lid 3° van de Arbeidsongevallenwet: ‘de werknemer wordt geacht zich eveneens op de plaats waar hij werkt te bevinden wanneer hij ondermeer met de uitdrukkelijke of stilzwijgende toelating van de werkgever de vormingslessen bijwoont welke tijdens de normale arbeidsuren plaatshebben.’
Hoewel het in dit concreet geval ging om een jongen die verbonden was door een industriële leerovereenkomst (zoals geregeld bij de wet van 19 juli 1983 op het leerlingenwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst) is de beslissing van het Hof van Cassatie ook toepasbaar op leerlingen verbonden door een door het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen erkende leerovereenkomst.

Op basis van een leerovereenkomst kan men in aanmerking komen voor een startbonus. Op basis van een stageovereenkomst niet. Er moeten wel een aantal voorwaarden worden vervuld. Zo moet men nog deeltijds leerplichtig zijn op het ogenblik van het sluiten van de leerovereenkomst en moet de leerling slagen in het betrokken opleidingsjaar.
Er dienen bovendien een aantal administratieve formaliteiten te worden vervuld. De algemene aanvraag via het formulier C 63- bonus moet worden ingediend binnen de 3 maanden die volgen op het sluiten van de leerovereenkomst. Deze algemene aanvraag wordt automatisch door SYNTRA Vlaanderen aan het ondernemingshoofd-opleider gestuurd. Het is de bedoeling dat de leerling samen met het ondernemingshoofd-opleider en de wettelijke vertegenwoordiger het document vervolledigen en bezorgen aan het RVA- kantoor, dat bevoegd is voor de woonplaats van de leerling.
Indien de leerling slaagt in het opleidingsjaar ontvangt de leerling een premie van 500 of 750 euro. Om deze premie uiteindelijk te ontvangen dient de leerling binnen de 4 maanden na het einde van een geslaagd opleidingsjaar een aanvraag tot betaling van de starbonus in te dienen bij het betrokken RVA- kantoor. SYNTRA Vlaanderen bezorgt de leerling de nodige documenten. Het is de leerling die de aanvraag tot startbonus samen met het attest van SYNTRA Vlaanderen dat men geslaagd is, bezorgt aan het betrokken RVA-kantoor.

Op basis van een leerovereenkomst komt men in aanmerking voor een stagebonus. De leerovereenkomst moet wel gesloten zijn met een deeltijds leerplichtige.
Bij een vroegtijdige beëindiging dient de leerovereenkomst bovendien minstens 3 maanden te hebben geduurd.
Een ondernemingshoofd-opleider dat een deeltijds leerplichtige leerling in dienst neemt, ontvangt automatisch van SYNTRA Vlaanderen de nodige documenten.
Het enige wat men moet doen is deze documenten verder invullen en bezorgen aan het RVA kantoor dat bevoegd is voor de woonplaats van de leerling.
Het gaat om het formulier C63-BONUS, bij de aanvang van de leerovereenkomst, en om een aanvraag tot betaling de stagebonus die op het einde van ieder opleidingsjaar moet worden ingevuld en aan het betrokken RVA kantoor moet worden bezorgd. Op het formulier C63-BONUS moet ook de leerling en de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling een gedeelte invullen.

Indien een ondernemer-opleider de opleiding van een leerling overlaat aan een monitor kan hij/zij genieten van een bijkomende RSZ-vermindering. Het gaat om een RSZ-vermindering van 400 euro per kwartaal op de werkgeversbijdrage RSZ van deze werknemer. Men kan wel slechts van één vermindering genieten per schijf van 5 leerlingen die in de onderneming worden opgeleid.De doelgroepvermindering mentors kan enkel bekomen worden voor werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat als de leerling opgeleid wordt door een statutair personeelslid deze persoon niet in aanmerking kan komen voor de doelgroepvermindering mentors.
 
De werknemer die de leerling opleidt dient aan een aantal voorwaarden te voldoen. Zo dient hij of zij gedurende 5 jaar beroepspraktijk te bewijzen. Dit kan aangetoond worden op basis van een tewerkstellingsattest bij de ondemer-opleider of bij een vorige werkgever. Bovendien moet de werknemer-monitor beschikken over een pedagogisch diploma of een getuigschrift dat aantoont dat hij/zij met succes een mentoropleiding heeft gevolgd. De opleiding ‘Estafette’, georganiseerd door Syntra Vlaanderen komt hiervoor in aanmerking. Daarnaast moeten er nog een aantal administratieve formaliteiten worden vervuld.
 
Vooreerst dient men het formulier ‘de doelgroepvermindering voor mentors’ in te vullen. In dit document vult men de gegevens in van de werkgever en de gegevens van de mentors die eventueel in aanmerking kunnen komen voor de betrokken doelgroepvermindering. Bovendien dient men een ‘mentor’overeenkomst te sluiten. In dit document engageert een werkgever zich om gedurende een bepaalde periode (minimaal één kwartaal en maximaal een jaar) één of meerdere leerlingen/cursisten voor een bepaald aantal uren in de onderneming op te leiden. Deze overeenkomst wordt met de leertrajectbegeleider gesloten.
Deze engagementsverklaring dient men samen met het formulier ‘de doelgroepvermindering mentors’ en de nodige bewijzen te bezorgen aan de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. De doelgroepvermindering kan ten vroegste ingaan het kwartaal waarin alle documenten de betrokken dienst hebben bereikt. De doelgroepvermindering geldt in principe voor de duur van de ‘mentor’opleiding. 
 
Voor meer informatie over deze maatregel kan men terecht op http://www.werk.belgie.be/defaultTab.aspx?id=27326.
 

De grootste financiële kost is de maandelijkse leervergoeding. De leervergoeding schommelt tussen de 300 euro en de 500 euro per maand afhankelijk van het opleidingsjaar beroepsgerichte vorming waarin de leerling zit en zijn of haar leeftijd. Op deze vergoeding moeten RSZ-bijdragen betaald worden.

Tot 31 december van het jaar waarin de leerling 18 jaar wordt, is de leerling beperkt onderworpen aan de RSZ. Tijdens de beperkte onderwerping moeten er enkel RSZ-bijdragen betaald worden voor jaarlijkse vakantie, arbeidsongevallen en beroepsziekten. Voor de jaarlijkse vakantie van de leerling-arbeider betaalt het ondernemingshoofd een bijdrage van 16,27% (6% per kwartaal en 10,27% jaarlijks), berekend op de leervergoeding aan 108%.

Vanaf 1 januari na de 18e verjaardag zijn leerlingen volledig onderworpen aan de RSZ. In dat geval moeten zowel leerling als het ondernemingshoofd RSZ-bijdragen betalen voor werkloosheid, geneeskundige verstrekkingen, ziekteuitkeringen en pensioenen. De leerling zal zijn RSZ-bijdragen kunnen recupereren via de werkbonus. Het ondernemingshoofd zal de meerkost van de volledige RSZ-onderwerping (ongeveer 32%) volledig kunnen recupereren via de structurele vermindering. Dit laatste geldt niet voor de provinciale en lokale besturen. Zij kunnen niet genieten van de structurele vermindering. De provinciale en lokale besturen hebben er dan ook belang bij om zodra de leerling valt onder de volledige onderwerping een werkkaart aan te vragen in het kader van doelgroepvermindering laaggeschoolde jongeren.

Een getuigschrift leertijd is geen onderwijsdiploma.  Toch heeft het heel wat waarde.
Met je getuigschrift leertijd heb je zeer grote tewerkstellingskansen op de privé-arbeidsmarkt, zelfs in tijden van crisis. Dit blijkt jaar na jaar uit het schoolverlatersonderzoek van de VDAB.
Voor een tewerkstelling bij een overheid (openbare sector) heb je in principe een onderwijsstudiebewijs nodig, behalve op het laagste niveau. De overheden zijn momenteel hun aanwervingsbeleid aan het moderniseren waardoor in de toekomst ook een aanwerving op basis van verworven competenties mogelijk zal worden. Daarbij zullen ook functierelevante certificaten - uitgereikt door erkende opleidingsverstrekkers, zoals de SYNTRA - in aanmerking kunnen komen. Zo ook een getuigschrift leertijd!
Wil je je als zelfstandige vestigen dan moet je bewijzen dat je over een basiskennis bedrijfsbeheer beschikt. Als het om een gereglementeerd beroep gaat, moet je ook de vereiste beroepskennis kunnen aantonen. Het getuigschrift leertijd geldt niet als bewijs van 'basiskennis bedrijfsbeheer', maar in bijna alle gevallen wel als bewijs van 'vereiste beroepskennis'.

Ja! In de leertijd kunnen vanaf het schooljaar 2009-2010 volgende onderwijsstudiebewijzen worden uitgereikt:

  • een getuigschrift tweede graad secundair onderwijs
  • een studiegetuigschrift 2e jaar derde graad secundair onderwijs
  • een diploma secundair onderwijs

Om een onderwijsstudiebewijs te behalen, moet je wel aan verschillende voorwaarden voldoen:

  • de eindtermen van onderwijs behaald hebben volgens beslissing van SYNTRA Vlaanderen;
  • minstens één certificaat behaald hebben;
  • voldoende aantal schooljaren na de eerste graad secundair onderwijs hebben gevolgd in onderwijs en/of leertijd;
    • 2 schooljaren voor getuigschrift tweede graad secundair onderwijs
    • 4 schooljaren voor studiegetuigschrift 2e leerjaar van de 3e graad secundair onderwijs
    • 5 schooljaren voor diploma secundair onderwijs
  • bijkomend voor het diploma secundair onderwijs moet je in het bezit zijn van een getuigschrift tweede graad secundair onderwijs.